Een boeiend verhaal over de roof en teruggave van schilderijen van grote meesters tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt verteld aan de hand van een groot aantal van deze kunstwerken in de Bergkerk in Deventer. Centraal in dit verhaal staan de Joodse kunsthandelaars en particulieren van wie kunstwerken in Duitse handen kwamen. Een groot aantal oude meesters kwam terecht in de collecties van onder meer Hitler en Göring. 

Kunsthandel

Voor de oorlog speelt Nederland al een belangrijke rol in internationale kunsthandel. Behalve Amsterdam zijn er belangrijke firma’s in Den Haag, Dieren en Lochem. Veel van deze handelaren zijn van Joodse afkomst. De bekendste is de firma Goudstikker in Amsterdam, behalve Nederlandse schilderijen verhandelde deze firma ook Italiaanse topstukken.
In bezet Nederland tonen de Duitsers meteen grote belangstelling voor het in eerste instantie kopen van kunstwerken. De prijzen stijgen meteen tot ongekende hoogte en veel kunsthandelaren verkopen hun werken. Ook particuliere eigenaren tonen interesse in de verkoop van hun topwerken. Vooral als ze het geld kunnen gebruiken om onder te duiken of om Nederland te ontvluchten, simpel weg om te overleven. Echter veel kunstwerken worden simpelweg geroofd of in beslag genomen. Zo is veel kunst in beslag genomen, omdat Joden hun bezittingen, van schilderijen tot meubels en servies, moeten inleveren bij de Liro-bank in Amsterdam. Nadat de Joodse families op transport waren gezet, worden deze inboedels meteen verdeeld. De Duitsers brengen de topstukken naar het toekomstige Führermuseum, waar de meest indrukwekkende collectie van de wereld moest komen. De andere verzamelaar van de meesterwerken, Hermann Göring, koopt op niet geheel legale wijze de hele voorraad van Goudstikker op.

Teruggave

Tijdens de oorlog maken de geallieerden afspraken over de kunstwerken die naar Duitsland zijn afgevoerd. Ook de Nederlandse regering in ballingschap bepaalde dat deze aankopen tijdens de oorlog ongeldig zijn. Vanaf juli 1945 worden vrijwillige of niet vrijwillige overdrachten geregistreerd als de betrokkenen daar aangifte van doen. Zo’n veertigduizend formulieren worden ingevuld. In 1951 wordt de Stichting Nederlands Kunstbezit al weer opgeheven. Kunstwerken die toegevoegde waarde hebben voor Nederlandse cultuur, worden overgedragen aan het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschapen en andere werken worden verkocht aan musea om de staatkas te spekken. Ook is er een groepje Joodse kunstbezitters dat aangaf dat ze hun werken niet terug willen, omdat ze daar een bedrag voor hebben gekregen waarmee ze konden overleven.
Vanaf 1997 wordt, onder invloed van de internationale belangstelling voor de roofkunst, een commissie ingesteld die de roofkunst weer terug op de agenda zet. Het teruggavebeleid direct na de oorlog is wel erg kort door de bocht geweest. Veel kunstwerken die nu in de Nederlandse musea en depots hangen komen in aanmerking voor teruggaven aan de nabestaanden. Nog niet zo lang geleden heeft de familie Goudstikker een groot aantal werken teruggekregen.

De Bergkerk toont ruim zestig kunstwerken van de Nederlandse oude meesters die uit Duitsland zijn teruggehaald. Inclusief het ongemakkelijke verhaal van de Nederlandse staat die meer geïnteresseerd was in de schilderijen dan de teruggave aan de rechtmatige eigenaren. Ik besef dat ik in dit blog de vele verhalen beperkt houd. Voor meer informatie kijk op de website van deze tentoonstelling.