Vrouwen in de straat

Stel: je schildert tegen het eind van je studie Rechten voor het eerst een schilderij en vervolgens word je werk meteen opgepikt door de Nederlandse kunstwereld. Daar is toch menig kunstenaar jaloers op, na jaren ploeteren of niet eens meer meemaken dat je werk in musea hangt. Pyke Koch is zo’n schilder die op deze manier snel naam maakte.  Het Centraal Museum in Utrecht wijdt een tentoonstelling aan zijn werk.

Magisch realisme

Pieter Frans Christiaan Koch (1901-1991) wordt geboren in een welgesteld gezin in Beek, Berg en Dal. Begin jaren 20 verhuist hij naar Utrecht voor zijn studie Rechten aan de universiteit. Na vier jaar studie is Koch in de zomer van 1927 te laat met zijn aanmelding voor het examen. Om de tijd door te komen schildert hij zijn eerste schilderij, Dolores’ Ontbijt. Via een bevriend kunstenaar wordt hij geïntroduceerd in de Amsterdamse kunstenaarsvereniging De Onafhankelijken en maakt hij naam. Zijn werk hangt al snel in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Koch’s werk wordt geroemd vanwege technische perfectie en dat terwijl hij volledig autodidact is. Pyke Koch wordt een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het magisch realisme in Nederland. Dit is een realistische manier van schilderen waarbij de werkelijkheid wordt verbonden met een andere werkelijkheid. Koch creëert zo zijn eigen realiteit of waarheid.
In de periode voor de Tweede Wereldoorlog heeft de schilder al fascistische sympathieën. Op zijn zelfportret uit 1937 draagt Koch een zwarte hoofdband. Het Utrecht Nieuwsblad noemde het schilderij “aantrekkelijk en tegelijkertijd afstotend”.  In 1941 ontwerpt hij voor de door de NSB gecontroleerde posterijen een serie postzegels met Germaanse afbeeldingen. Kort daarna zegt hij zijn NSB lidmaatschappen op. Na de oorlog krijgt Koch, vanwege de postzegels, een tentoonstellingsverbod van een jaar. Na de oorlog praat hij er in het openbaar niet over. Zijn werk en bekendheid lijden er niet onder. In de jaren 50 heeft hij weer een solotentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam.

Latere werk

In zijn latere periode laat Koch zich inspireren door Piero della Francesca, een van de grote meesters uit de Renaissance-periode. Een totaal andere inspiratiebron is de Franse kunstenaar Henri Rousseau. Ook ontwerpt hij nog nieuwe lantaarnkoppen voor de oude gietijzeren palen langs de Oude- en Nieuwegracht in Utrecht.
Tot 1980 blijft hij schilderen. Zijn laatste schilderij, De koorddanser III (1980) wordt gezien als een zelfportret: hij maakt de balans op van zijn leven en werk. Een kale kamer met twee deuren waarachter trappen naar boven en naar beneden leiden. Een man met een doek over zijn hoofd balanceert op een koord.
Ik zie de trappen als metafoor voor het leven in haar ups-and-downs. Dit schilderij is een mooie afsluiter van de tentoonstelling.

Het Centraal Museum wisselt zijn werk af met de schilderijen van tijdgenoten zoals Carel Willink, Georg Grosz en Charley Toorop. Het is leuk om te zien dat ze elkaar inspireren in het werk en toch hun eigen identiteit behouden in hun werken. Behalve het schilderij De koorddanser III vind ik Vrouwen in de straat (1962-64) en het kleine werk De elektrische storm (1935-36) ook erg mooi. Het werk van Pyke Koch heb ik voor het eerst gezien in museum MORE. Deze tentoonstelling geeft meer inzicht in zijn werk.

Meer informatie vind je op Centraal Museum Utrecht.